SCHOONHOVENSCHE COURANT WEEKBLAD 1872. ZONDAG 4 FEBRUARI F. 136. VOOR DE KRIMPENER-, ALRLASSER- EN LOPIKERWAARD. I 1 A De Eerste Kamer en drie poli tieke Drenkelingen. J - p lD. BUITENLAND. r- leveft. recht ifj L Nog ééne hoop I AHUU8. «4 i Leden iwoordig bekwame formation It. (949S) 1IJTUI- (9496) PRIJS DEZER COURANT: Voor Schoonhoven per drie maanden /0,60. Franco per port- 0,70. Men van aan 1872. „TOT Donder- Is ten 8 rekening »r 1871, inrigiing èmen ten PRIJS DER ADVERTENTIE^ Van 1 tot 5 regels0,00. Iedere regel meer- 0,10. Groote letters naar plaatsruimte, jlnzending franco. VOO* DB 'AUI. n 4 ban- ril,-. Men ider het Courant. 8. W. N. van NOÓTEN te Schoonhoven, 'cmA i Wagen- i, dat bij 1 soliede die ver- fen, kun- gestelde K. ideloo, it, met CAZ.B ?t”, ten IE. De van be ien Heer retschaf- dat nog (9439) nng voor rzit ter. vretarü. ►ERWUS. rat: ikken. - ing van aan de - Acte- jke bur- ind-exa- bij het lek voor Meng.- ichten. - srwijxers schillen den, •poat. SMIT, (9431) oonhoven m ia de an adres- i de gea> I zijn. Immers het i dreigde de eensgezii I .«toren, en was doorfvelen in naam der ver- i draagzaamheid afgekeurd, en de Eerste Kamer ’te wer en ver- Er wordt van sommige kanten zeer ge ijverd voor het toelaten van speelbanken in Frankrijk. Men m ent dat men Duitscbland er door zou treffen, Homburg en Baden-Baden zou vervangenzelfs stelt iemand voor de oor logsschatting aan Pruisen te betalen, als men hem machtigt speelbanken in Parijs en in de In het laatst van December 187] en het begin van Januari 1872 dreven in de politieke zee van Nederland drie drenkelingen rond. De een was de voorstander vt.n het behoud der Nederlandsche missie bij den Paus; de tweede was de aanhanger van een conservatief regee- op koloniaal gebied; de derde was inder van den afstand der kust van Zij grependoch te vergeefs. De reddingsplank ontviel henzij zonken in de diepte en weldra sloot het water zich boven hunne hoofden. Van waar dat verschijnsel? Va^j. waar die be krachtiging door de Eerste Kamer van hetgeen de Tweede besloten had? Voor zoover de missie te Bome betreft, móet de oorzaak in niets anders worden gezocht dan in de omstandigheid, dat de Eerste Kamer het recht van amendement mist. Had de grondwet ook aan haareven als aan hare zuster^ dat om wijzigingen in wetsvoorstellen te bren gen, gegeven, hoogst waarschijn Ink, wij betwij felen dit geen oogenblikzou de Kamer den post dier missie weder op de begrooting hebben ge bracht. De meerderheid mist dien post ongaarne. Maar vóór alles was de Kamer zich bewust van haar eigen roepingte oordeelen over de wetten zooals zij haar door de Tweede Kamer waren toegezonden. Had zij bezwaar tegen de befoo ling, zooals die daar thans vóór haar lag. Dat was de eenige vraag. Bijvoegingen kan zij begeer en, maar over bijvoegingen werd haar oordeel niet gevraagd. De Kamer gevoelde dit, en, hoe gaarne zij het gezantschap behouden had, zij wist daarom; - de begrooting, tegen welke zij op zich zelve,geen bezwaar hadniet te mogen afstemmen. Voor zoover de quaestie der begrooting van koloniën betrof, heeft de Kamer hoezeer ge matigd en voorzichtig, toch bepaald verklaard, hervormingsgezind te wezen en anticonservatief. Zij heeft het uitgesproken, dat een Minister van gematigden vooruitgang altijd op haren steun kon rekenendat voor het koloniaal conservatisme van haar niets meer te hopen was. Zij heeft dat conservatisme voor goed veroordeeld. Wat eindelijk betreft den afstand der Goudkust aan Engeland, zoo heeft ook bij de beslissing dier quaestie de Kamer haar karakter niet verloochend. Vaderlandslievend gevoel, patriottische gemoede lijkheid konde zij waardeerenmaar zij wilde niet naar de stem van dat gevoel luisterenwaar het aan kwam op de beslissing van politieke vragen. H,et gezond verstandniet het geprikkeld gevoel, moest daarbij het woord hebben. Op de quaestie zelve komen wij thans niet terug. Wij hebben daarover indertijd een artikel geschreven. En het gezond verstandde staatsmanswijsheid eischte volgens de Kamer de goedkeuring van het tractaat. Zoo moge dan over den uitslag dier drie stem mingen der Eerste Kamer treuren wie treuren wil, dit mag men niet ontkennen, dat de Kamer bij elke dier stemmingen heeft getoond zich be wust te zijn van haar eigen roeping van de be- hoefte in Ned. Indië aan voortdurende hervor ming, van de noodzakelijkheid om bij politieke beslissingen te luisteren naar de stem van het gezond verstand. Daarom achten wij na die drie stemmingen de Eerste Kamer zeer hoog. ringsbeleid de tegenstai Guinea. De eerstgenoemde was in de staatkundige zee nedergeworpen door den' plotselingen aanval van den heer Dumbar. Onze lezers herinne?en zich genoeg wat daarbij voorviel, en hoe de meer derheid der Tweede Kamer met den heer Dumbar instemde en den post, dien de minister voor be doeld Gezantschap op de begrooting gebracht had, krachtens haar recht van amendement, schrapte. De stoot van den heer Dumbar en de zijnen was onverhoeds aangekomen, en allen, die zoo krachtig het behoud der missie hadden gewenscht of verdedigd, bemerkten maar al te goed, dat zij als drenkelingen daar ronddreven dat het zinken nabij was, dat nog slechts ééne hoop op redding bestond. De Eerste Kamer was er nog. Men wist zeker, dat de politieke stroom den drenkeling langs die Kamer voeren moest, en men hoopte in haar een reddingsplank te vindenwaarop men het leven zoude kunnen redden. Veel aandrang werd er dan ookzeer natuur lijk, bij die Kamer uitgeoefend, en hetgeen men wenschte, was niets meer of minder, dan de Kamer de geheele begrooting van Buitenlandsche Zaken zoude verwerpenomdat de Gezantscbaps- post op die begrooting niet voorkwam. w wist wel, dat de Eerste Kamer het recht amendement mist, dat de wetsontwerpen het oordeel dier Kamer niet anders onderwor pen wordendan juist zooals zij door hare zuster, de Tweede Kamer, gewijzigd zijn* dat derhalve onmogelijk de post op nieuw aan de begrooting kon worden toegevoegd, maar men achtte de. quaestie, welke bij het amendement Dumbar beslist was, gewichtig genoeg, om op dien grond de Eerste Kamer te kunnen bewe gen de geheele begrooting af te stemmen. Wat er geschieden moest, wanneer dit plaats had, ja, dat kon men met voorspellen. Politieke con flicten, politieke beroeringen wellicht zouden er het gevolg van wezen. Doch ook die zoude men wel te boven komen, en inmiddels had men op nieuw de kans terug gekregen, den Nederlandschen Gezant bij den Paus te be houden. De hoop op de Eerste Kamer was dus groot, en over die hoop was ook wel iets te zeggen. Immers de Minister van Buitenlandsche Zaken had de missie steeds verdedigd en deze Minister had bij de Eerste Kamer groot gezag. Immers de terugroeping van den Gezant door een kleine natie, waar de grootere mogendheden daartoe nog niet waren overgegaan, was een stoutmoe dige handeling, in veler oog eene vermetele, en de bezadigde Eerste Kamer moest uit den aard barer positie voorzichtig en liefst niet vermetel sluit der Tweede Kamer heid in den lande te ver- naam der ver- I i uraagzuiuiiueiu ujgcicurueu uc jucrsu i kon niets liever weuschen, dan inede ken tot den bloei van eensgezindheid draagzaamheid beide. Kans op redding ontbrak dus voor dezen drenkeling niet geheql. De tweede, de aanhanger van een conser vatief regeeringsbeleid op koloniaal gebied, had evenzeer een val in het water gemaakt. Hij was wrevelig geweest van het begin van het jaar 1871 af. De öptreding van den heer van Bosse was hem een doorn iu het oog. Hoe gaarne had hij hetf anders gewenscht, hoe gaarne de natie medegevoerd op den weg naar het luilekkerland deri conservatieven, hét land van het batig slot. Maar met den heer van Bosse was daar geen kans op. Toch zoude hij nog een slag wagen bij de behandeling der Staatsbegrooting vaq. 1872. Daar zoude hij beproeven,' den heer van Bósse' “over" boord te werpen en zelf het roer in handen te nemen. Maar de toeleg was mislukt. Wel had hij al zijne partijgenooten bijeengeroepen, maar de macht der tegenstanders was sterker ge weest, de heer van Bosse was onverlet uit het gedrang gekomen en de koloniaal-conservatief zelf lag te spartelen in den vloed, die hem eens voor goed dreigde te verslinden. Ook voor hem was alle hoop nog op de Eerste Kamer gevestigd. Hij wist, dat die Ka mer zeer bevreesd was voor al te driftige her vormingen op koloniaal gebied. Hij wist, dat de heer van Bosse den naam had een radicaal te Wezenen dat die heer behoord had tot de medewerkers aan het fadicale tijdschrift voor Nederlandsch-Indië. Ook deze drenkeling vleide zich met de hoop op redding. De derde was de tegenstander van den afstand der Kust van Guinea. O, het was hem zoo ernst geweest met zijn vaderlandsch gevoel. Hij had zoo geroepenzoo gesmeektdat toch niet de eer van het land zoude worden bevlekt door den afstand eener kolonie welke de voorouders hadden veroverd en als een kostelijk erfgoed aan het nageslacht achtergelaten. Hoe bitter was zijne teleurstelling geweest! Al zijn gebeden hadden hem niet gebaat, het tractaat was door de Tweede Kamer goedgekeurd tot den afstand was beslo ten. Die val in de zee was voor zijn warm patriottisme een koud bad geweest en ook hij dreef als drenkeling rond. Nog ééne hoop was hem verblevende Eerste Kamer. Zij kon het tractaat verwerpen, en het was met onmogelijk dat zij het deed. Immers na het besluit der Tweede Kamer was een afgezant van den Koningder Elmineezen in persoon te ’s Hage gekomen, om de bekrachtiging van dat besluit zoo mogelijk te voorkomen. Immers had de openbare meening in de pers zich vrij algemeen en voort durend tegen den afstand verklaard, en zou wel licht die publieke opinie het gemoed der Neder- landsche lords vermurwen. Zoo dreven alzoo de drie drenkelingen nog hoopvol rond. Eindelijk voerde de stroom hen beurtelings langs de Eerste Kamer heen, en kon den zij dus alle drie pogen om die reddings plan aan te grijpen.

Streekarchief Midden-Holland Kranten

Schoonhovensche Courant | 1872 | | pagina 1