Culturele ontwikkeling 110 De bouwkunde zal zich (naast de ‘verstening’ van de stad) voornamelijk bezighouden met de bouwkunstige ontwikkelingen in Gouda, ook in vergelijking met andere steden. Hierbij krijgt de ‘restyling’ in de zeventiende eeuw van sommige gebouwen naar meer renaissancistische aard de nodige aandacht en de rol die de beeldhouwer Gregorius Cool daarin speelde. Voorts worden veranderingen in bouw- patronen bekeken, zoals samentrekking van huizen c.d. Er wordt geen aandacht geschonken aan individuele monumenten: die worden behandeld in de geïllustreerde beschrijving door de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, o.l.v. W.F. Denslagen. (Overigens werkt de auteur die de bouwgeschiedenis voor de integrale geschiedenis van Gouda bewerkt eveneens mee aan de geïllustreerde monumentenbeschrijving, dus vrees voor dubbel werk en overlappingen is bij voorbaat ongegrond.) In dit conglomeraat van ruimtelijke-, bevolkings-, economische-, sociale-, politieke, en kerkelijke ontwikkelingen, spelen de culturele ontwikkelingen zich af. Hierin zijn diverse aandachtsgebieden te onderscheiden. anderzijds omdat men dat als een gemeenschapstaak zag. Het tamelijk milde religieuze klimaat in Gouda doet de vraag rijzen in hoeverre er in 1572 een breuk in de kerkclijkc ontwikkelingen optrad en op welke punten er juist sprake was van continuïteit. Het zogenaamde tolerante Gouda als ‘vergaarbak der ketters’ duurde tot de wetsverzetting van 1618-1619. Het tijdvak 1620-1650 is cruciaal geweest voor de uitkristallisering van de kerkelijke verhoudingen in Gouda, waarbij de libertijns- remonstrantse stroming het heeft moeten afleggen tegen de steilere orthodoxie. Binnen de katholieke kerk ontbrandde aan het eind van de zeventiende eeuw een fundamentele strijd, die resulteerde in een scheuring en het ontstaan van de, op het jansenisme gebaseerde, oud-katholieke statie. Pas aan het eind van de achttiende eeuw kwam de bevoorrechte positie van de gereformeerde kerk in het gedrang, die uiteindelijk in de negentiende eeuw zijn beslag kreeg bij de formele gelijkschakeling van alle kerkgenootschappen. Er volgen in de negentiende en twintigste eeuw dan in rap tempo allerlei afsplitsingen en nieuwe groeperingen. Naast al deze kerkelijke religieuze stromingen, wordt aandacht geschonken aan andere levensbeschouwelijke organisaties, zoals niet-christelijke godsdiensten en niet-kerkelijke stromingen. Op politiek gebied zien we, dat in de negentiende eeuw de overheid liberaal was, terwijl de notabelen van hervormden huize waren. Hoe lagen de verhoudingen? En de familiebanden? Tenslotte moet de vraag aan de orde komen in hoeverre het seculariseringsproces in het vrij orthodoxe Gouda doorgewerkt heeft.

Schatkamer | 1998 | | pagina 48